Dierenkliniek Driemere 079 - 316 54 66
Dierenkliniek Rokkeveen 079 - 361 07 07
Menu
Dierenkliniek Driemere 079 - 316 54 66
Dierenkliniek Rokkeveen 079 - 361 07 07

Wij zijn open! Ons beleid is tijdelijk aangepast i.v.m. het coronavirus. Lees onze maatregelen hier.

Honden

Informatie over uw hond

Honden

Informatie over uw hond

  • Vaccinaties
  • De oudere hond
  • Geboortebeperking
  • Sterilisatie teef
  • Dektijdstip bepaling
  • De drachtige hond
  • Melkkliergezwellen
  • Voorhuidontsteking
  • Anaalklieren
  • Epilepsie
  • Oorontsteking
  • Suikerziekte
  • Tandsteen
  • Gescheurde kruisbanden
  • Patella luxatie
  • Hond & allergie
  • Hond & kind

Vaccinaties

Veel ziekten zijn te voorkomen door op tijd te enten. Door een dier een vaccin toe te dienen wordt een bescherming (immuniteit) opgebouwd terwijl het dier zelf niet ziek wordt. Alleen gezonde dieren mogen geënt worden. Na verloop van tijd neemt de bescherming geleidelijk af en is het dus nodig om een inenting regelmatig te herhalen. Puppy's krijgen van hun moeder afweerstoffen mee, die slechts drie maanden bescherming geven. Daarna zijn jonge dieren meer vatbaar voor ziektes dan oudere. Het is dan belangrijk bij jonge dieren tijdig met het vaccinatieprogramma te beginnen. Het vaccinereren vind plaats door het dier in contact te brengen met een vaccin dit kan door een injectie(meestal) of door het met een spuitje in het neusgat te spuiten (zonder naald).

Een vaccin is een oplossing waarin onderdelen van de ziekte verwekker aanwezig zijn. Door zo'n vaccin bij de hond in te brengen komt het afweer apparaat van de hond in contact met deze onderdelen en bouwt hier tegen een weerstand op. Als de hond nu in contact komt met de echte ziekteverwekker is er een grote mate van weerstand en is de kans op ziek worden klein.

Hondenziekte (Ziekte van Carré, Distemper) 

Een virusziekte die honden van alle leeftijden kan aantasten met snel verloop en sterfte.
Verspreiding: via speeksel, urine en ontlasting.
Verschijnselen: braken diarree longproblemen huidproblemen en problemen van het zenuwstelsel.

​​Parvo

​Een virusziekte die met heftig braken en diarree gepaard gaat en bij veel pups dodelijk afloopt.
Verspreiding: via de ontlasting.

​Leverziekte​ (hepatitis, adeno-virus type 1) 

Deze ziekte gaat gepaard met leverontsteking, koorts, bloedingen, braken, oogontsteking. Bij jonge honden kan ook plotselinge sterfte optreden zonder voorafgaande verschijnselen. Besmetting gaat via urine.

​Ziekte van Weil (leptospirose) 

Deze ziekte gaat gepaard met ernstige problemen van de lever, nieren en het bloed. De ziekte wordt veroorzaakt door bacteriën.
Verspreiding: via de urine van besmette honden, via de urine of een beet van een rat of via besmet oppervlakte water. De ziekte kan besmettelijk voor de mens (zoönose).

​Kennelhoest (bordetella, para-influenza, adeno-virus type 2) 

Verschillende ziekteverwekkers kunnen dit veroorzaken. De ziekte gaat gepaard met over het algemeen milde verschijnselen van de bovenste luchtwegen. Bij gevoelige of jonge dieren soms ernstige verschijnselen. Komt vaak voor, de besmetting vindt plaats via andere honden.

​​Hondsdolheid (rabiës)

Hondsdolheid is een ziekte die besmettelijk is voor de mens en dan net als bij honden altijd dodelijk is. De ziekte wordt overgebracht via dieren die besmet zijn. De besmetting vindt plaats door dat speeksel met daarin het hondsdolheidsvirus via bijten of al aanwezige wondjes in de bloedbaan komt. Veel verschillende diersoorten kunnen drager van hondsdolheid zijn. Het virus tast de hersenen aan waardoor veranderingen optreden (agressie of bij wilde dieren geen angst meer voor de mens). Via bijten of likken kan het virus dan worden over gebracht. Indien een mens in contact komt met een hondsdoldier moet er onmiddelijk een behandeling worden ingezet. Als daarmee gewacht wordt totdat er verschijnselen zijn, is er geen succesvolle behandeling meer mogelijk en zal de patiënt sterven.

De oudere hond

Met het stijgen der jaren neemt ook bij de hond de kans op problemen toe. In dit artikel zullen de meest voorkomende kwalen worden behandeld. Ook vindt u enkele tips over de voeding en verzorging van de oudere hond.

Leeftijd

​​Wat is oud? Vaak wordt gesteld dat een hondenjaar gelijk staat aan zeven mensenjaren. Dit gaat niet helemaal op. Kleine honderassen kunnen vaak hoge leeftijden bereiken, terwijl de grote rassen niet zo oud worden. Voor kleine rassen is 15 jaar geen uitzondering, terwijl grote rassen blij mogen zijn als ze de 10 jaar halen. Ook het verhaal dat kruisingen ouder zouden worden dan rashonden is niet juist. Als we rekening houden met de grootte van de hond dan is er niet veel verschil. Sommige rashonden lijden wel vaker aan erfelijke aandoeningen. Gemiddeld genomen wordt de hond van 8 jaar of ouder als "senior" behandeld.

Voeding en verzorging

Net als bij ons gaat alles bij het oudere dier ook wat trager. Het uithoudingsvermogen neemt af, gezichtsvermogen en gehoor worden minder en het dier heeft meer behoefte aan rust. Hou hier rekening mee en gun uw hond wat meer tijd. Hoewel er tegenwoordig veel zogenaamde seniorendiëten op de markt zijn is het niet nodig de voeding van uw huisdier te wijzigen zolang het dier gezond is.

Seniordieet is vaak eiwitarm en vaak ook light. Oudere honden die minder lopen worden ook sneller te dik en dan is seniorvoeding een mogelijkheid. Eiwitarm dieet is vooral bestemd voor dieren met verminderde nierfunctie.

De vacht heeft meer verzorging nodig. Oudere honden kunnen een zware vachtlucht hebben, vooral als ze nat zijn. Dit wordt vooral veroorzaakt door de samenstelling van het huidvet (talg). Wassen met een speciale hondenshampoo is een goede oplossing. Als honden juist een droge vacht krijgen is wat schapenvet door de voeding een optie. Het is nuttig om één keer in de week de hond even helemaal na te kijken. Let op de oren, het gebit en op mogelijke gezwellen. Bij teven is het belangrijk om de melkklieren regelmatig op knobbeltjes te controleren. Bij dit soort tumoren geldt dat hoe eerder er ingegrepen wordt, des te groter de overlevingskansen voor de hond zijn.

Ziektes

​Met het stijgen van de leeftijd neemt ook bij uw huisdier de kans op ziektes toe. Veel van deze kwalen zijn het gevolg van slijtage of veroudering van het weefsel. Voorbeelden zijn staar, gewrichtsslijtage, gebitsproblemen en sommige hartklachten. Ook het afweersysteem is minder aktief, waardoor uw oudere dier meer kans heeft op allerlei infectieziektes en gezwellen. Dit is de reden waarom ook een oudere hond regelmatig ingeënt moet worden. U kunt dit vergelijken met de griepprik bij bejaarde mensen. Uw huisdier blijft dan voor deze ziektes (hondenziekte, parvo, weil, etc.) beschermd. Een inenting is géén te zware belasting voor de oudere hond maar juist noodzakelijk om langer gezond te blijven.

Doofheid bij honden is meestal niet behandelbaar. Er bestaan voor honden geen hoorapparaten. Vaak lukt het baas en hond om te communiceren door middel van gebarentaal. Een dove hond is niet meer verkeersveilig en zal dus aan de lijn uit moeten.

Een verminderd gezichtsvermogen kan verschillende oorzaken hebben. Grijze staar, te herkennen aan een blauwgrijs verkleuring van het oog, is een echte ouderdomskwaal. Het leidt maar zelden tot blindheid. Het is operatief te verhelpen, mits de staar 'rijp' is en het oog geen andere afwijkingen vertoont. Een andere oorzaak is nachtblindheid, een erfelijk gebrek wat op oudere leeftijd tot totale blindheid kan leiden. Poedels en verschillende jachthondenrassen zijn hier gevoelig voor. Er is geen genezing mogelijk.

Nieraandoeningen geven vage klachten. De hond is sloom en lusteloos, valt af, z'n vacht wordt dof en soms gaat het dier meer drinken en dus meer plassen. Alleen door bloedonderzoek kan met zekerheid worden vastgesteld of een dier een nierkwaal heeft. De behandeling bestaat uit het geven van dieetvoeding, eventueel aangevuld met medicijnen. Veel plassen en drinken kan bij de oudere hond nog meer oorzaken hebben zoals o.a. suikerziekte en afwijkingen aan de lever. Bloedonderzoek, soms in combinatie met urineonderzoek, kan de oorzaak vaak simpel en snel opleveren.

Hartklachten bij de oudere hond komen meestal door lekkende hartkleppen. Met medicijnen en een aangepast dieet kunnen deze dieren geholpen worden. 

Gebitsproblemen komen zeer veel voor. Het kan variëren van wat tandsteen en een stinkende adem tot een volkomen rot gebit. Behandeling is dankbaar; het dier is verlost van een hoop irritatie en de baas van veel stankoverlast.

Bij teven vormen baarmoederontstekingen en melkkliergezwellen de twee belangrijkste doodsoorzaken. Typisch voor een baarmoederontsteking is een hond die ongeveer zes weken na de loopsheid ziek wordt. De hond is lusteloos, eet slecht, drinkt veel en heeft soms een vieze uitvloeiing. Een snelle behandeling is noodzakelijk, uitstel kan dodelijk zijn. De teef moet geopereerd worden om de met pus gevulde baarmoeder te verwijderen. Bij oudere reuen zien we veel prostaatklachten. Dit uit zich meestal in het verlies van kleine druppeltjes bloed, onafhankelijk van de plas. Het gaat hier om een goedaardige vergroting van de prostaat met soms een ontsteking erbij. De aandoening laat zich goed behandelen, maar wil nog wel eens terugkomen. Prostaatkanker komt bij de reu gelukkig maar zelden voor.

Samenvatting

Samenvattend kan men stellen dat veel klachten van de ouderen hond goed behandeld kunnen worden. Bij alle hierboven beschreven aandoeningen is het effect van behandeling afhankelijk van de snelheid waarmee de ziekte is ontdekt. Het is dus belangrijk om de hond regelmatig te controleren en om bij vage klachten snel in te grijpen. Beginnende symptomen worden te vaak afgedaan als "passend bij een oude hond". 

Geboortebeperking

Loopsheid

​Teven worden gemiddeld twee keer per jaar loops. De eerste loopsheid bij een jonge hond mag tussen de zes en negen maanden verwacht worden. Het meest opvallende verschijnsel van de loopsheid is de uitvloeiing. Deze duurt ongeveer drie weken en is in het begin helderrood van kleur. Rond de achtste tot vijftiende dag na het begin van de uitvloeiing is de teef bereid om zich te laten dekken. De reu toont vaak al eerder interesse, maar wordt tot dit moment afgesnauwd. Na de dekking volgt een zwangerschap van gemiddeld 63 dagen. Het aantal pups kan variëren van één tot wel zestien. In het algemeen is het zo dat grotere honden ook grotere nesten krijgen.

Geboortebeperking

​Er zijn meerdere redenen om loopsheid of drachtigheid bij de teef te voorkomen. De uitvloeiing of de aantrekkelijkheid voor reuen kan zeer hinderlijk zijn. Ook moet de hond steeds in de gaten gehouden worden om een ongewenste dekking en de hieruit resulterende pups te voorkomen. Een nestje pups is leuk, maar vraagt om veel ruimte, tijd en aandacht in huis. Bovendien moet er een goed tehuis voor worden gezocht, wat niet altijd meevalt.

Sterilisatie

​Er zijn twee manieren om loopsheid te voorkomen bij de teef. De eerste is een sterilisatie. Hierbij worden de eierstokken en eventueel de baarmoeder weggenomen. De hond wordt dan nooit meer loops omdat de hormoonbron, de eierstok, is weggenomen. Als een sterilisatie op jonge leeftijd, liefst voor de eerste loopsheid, wordt uitgevoerd biedt deze ingreep een goede bescherming tegen melkklierkanker en baarmoederontstekingen. Ook is het goedkoper dan levenslang de prikpil geven. Wilt u uw teef laten steriliseren dan is de tijd tussen de loopsheden in de beste periode. Een jonge hond kan al voor de eerste loopsheid gesteriliseerd worden. Het is niet nodig om het dier eerst loops te laten worden of een keer een nestje te laten krijgen.

Prikpil

​De tweede oplossing is door middel van hormonen, de zogenaamde prikpil. De teef krijgt hierbij een hoge dosis hormonen ingespoten, waardoor ze vijf tot zes maanden niet meer loops zal worden. Bijwerkingen van de hoge dosis hormonen zijn onder andere een toenemende kans op melkklierkanker en een verhoogde kans op een baarmoederontsteking. Vooral bij langdurig prikpilgebruik neemt het risico sterk toe.

Ongelukje

​Als uw teef ondanks alle goede zorgen toch nog een ongelukje heeft gehad en per ongeluk ongewenst is gedekt, is het nog mogelijk de hond direct na afloop van de loopsheid te laten steriliseren. Deze methode is 100% effectief. Ook bestaat de mogelijkheid om de hond een soort morning-after prik te geven. Deze bestaat uit twee injecties die op de derde en vijfde dag na de dekking gegeven moeten worden. Helemaal betrouwbaar is deze methode niet, in ongeveer 3% van alle gevallen krijgt de hond toch nog een of meer puppy's. Bovendien kan deze morning-after prik als nare complicatie een baarmoederontsteking tot gevolg hebben. Daarom is voorkomen ook hier veel beter dan "genezen". Denkt u dus tijdig aan de antiloopsheid behandeling, voordat uw hond u verblijdt met een onverwachte gezinsuitbreiding.

Sterilisatie teef

De sterilisatie is de meest uitgevoerde operatie op de teef. Naar schatting is ongeveer 30% van alle teven in Nederland gesteriliseerd. De belangrijkste reden is natuurlijk geboortebeperking c.q. het voorkomen van de loopsheid, maar er zijn ook belangrijke medische redenen om een teef te steriliseren. Voorbeelden hiervan zijn onder andere baarmoederontstekingen, recidiverende schijnzwangerschappen en suikerziekte. Medisch gezien is het niet juist om van sterilisatie te spreken. Met sterilisatie bedoelen we een operatie waarbij het dier onvruchtbaar gemaakt wordt door de eileider af te binden of door te knippen. De rest, baarmoeder en eierstokken zelf, worden ongemoeid gelaten. Bij honden is het zeer ongebruikelijk om dit te doen, omdat de dieren weliswaar geen jongen meer kunnen krijgen, maar nog steeds loops (en eventueel ook schijnzwanger) blijven worden. Eigenlijk is dus iedere gesteriliseerde teef een gecastreerde teef, immers eierstokken en soms ook baarmoeder zijn geheel verwijderd.

Techniek

​Voor de operatie moet de teef nuchter zijn. De reden hiervoor is dat sommige dieren kunnen braken van de narcose en dit problemen kan geven. De hond wordt onder narcose gebracht, op haar rug gelegd en de buik geschoren en gewassen. In onze praktijk wordt tegenwoordig door een laparoscopische ingreep gesteriliseerd. Er worden dan twee kleine gaatjes in de buikwand gemaakt, waardoor een camera en chirurgisch instrumenten ingebracht worden. Via een beeldscherm wordt in de buikholte gekeken, en worden de eierstokken verwijderd.  Het wegnemen van de baarmoeder is, mits deze geen afwijkingen vertoont niet nodig. Door het wegnemen van de eierstokken wordt de hormoonproduktie stilgelegd is er geen risico op het alsnog krijgen van een baarmoederontsteking en/of melkkliertumoren.

Een laparoscopische sterilisatie heeft als voordeel op een "ouderwetse" sterilisatie dat er slechts twee kleine gaatjes (van ongeveer 8 mm) in de buikwand worden gemaakt. De teef heeft minder pijn na de operatie, ze herstelt sneller en er is veel minder kans op wondinfectie of andere complicaties.

Op verzoek kan in onze kliniek ook op de ouderwetse manier een sterilisatie uitgevoerd worden.

Complicaties

​Bij iedere operatie kunnen complicaties voorkomen, ook bij sterilisatie. De ernstigste is het nabloeden uit de baarmoeder of eierstokstomp. Bij een laparoscopische ingreep, zoals hierboven beschreven, worden de eierstokstomp tijdens de ingreep direct dichtgebrand, en kan op het beeldscherm goed gezien worden of er nog bloedingen zijn in de buikholte. De hond moet altijd in de kliniek blijven tot zij goed uit de narcose is ontwaakt. In deze tijd controleren we de hond regelmatig. Wondinfecties zijn een ander complicatie en worden meestal veroorzaakt doordat de hond aan de hechtingen of de wond heeft zitten likken. Bij een laparascopische sterilisatie komt dit weinig voor, mede doordat de hond veel minder pijn aan de buik en wond heeft. Ook zien we bij 1-5% van de gesteriliseerde teven incontinentieproblemen optreden. Dit wil zeggen dat de teef af en toe druppeltjes urine verliest. We zien het vooral bij honden tussen de 25 en 40 kg.

Met medicatie is dit ongemak gelukkig goed te behandelen. Een gesteriliseerde teef loopt wat meer risico om te zwaar te worden. Het is daarom raadzaam om na de sterilisatie het gewicht van uw hond goed in de gaten te houden.

Gedrag

​Een veel gehoorde vraag is of het gedrag van de hond veranderd door sterilisatie. Het antwoord is simpel: een gesteriliseerde hond gedraagt zich net zo als een niet-gesteriliseerde hond tussen de loopsheden in. Heel soms zien we dat de teven iets "mannelijker" gedrag gaan vertonen.

Leeftijd

​Het is een fabeltje dat het beter zou zijn dat teven eerst een nestje krijgen voor het steriliseren. Ze hoeven zelfs niet eerst loops geweest te zijn. Als we kijken naar de kans op melkkliertumoren op latere leeftijd dan is het zo dat teven die gesteriliseerd zijn vóór de vijfde loopsheid veel minder risico lopen. Ook baarmoederontstekingen komen niet voor bij gesteriliseerde dieren. Hierdoor neemt de levensverwachting van een jong gesteriliseerde hond met ongeveer 2 jaar toe. In onze praktijk geven we nu als advies om teven te steriliseren voor de eerste loopsheid, dus op ongeveer zes maanden leeftijd. De operatie is dan simpel en de helstel periode is zeer kort. Meestal rennen ze na een dag al weer door het huis heen. Voor oudere teven is het het beste om ze tussen de loopsheden in te steriliseren. De baarmoeder is dan het minst doorbloed. Het operatierisico blijft hierdoor beperkt.

Dektijdstip bepaling

Gemiddeld worden teven eens in de zes maanden loops. Sommige rassen (saarloos wolfshond, sledehonden) kennen zelfs maar één loopsheid per jaar. Tijdens deze loopsheid is de teef maar enkele dagen bereid zich te laten dekken en ook maar enkele dagen vruchtbaar. Voor een fokker is het dus van essentieel belang om dit handjevol vruchtbare dagen van de teef te herkennen; immers een gemiste dekking betekent een vertraging in het fokprogramma van minimaal een half jaar. Nu zal de loopsheid zelf niet gauw gemist worden: de teef verliest bloed, is van achteren opgezet en aantrekkelijk voor reuen. Echter, het juiste dektijdstip bepalen is veel moeilijker, zeker als er geen (ervaren) dekreu in de buurt is. 

​Progesteronbepaling

Het juiste dekkingstijdstip kan per teef en zelfs per cyclus verschillen. Dit tijdstip bevindt zich ergens tussen dag 9 en 18 na het begin van de loopsheid (d.w.z. aantal dagen nadat er voor de eerst keer bloed gezien is).

Tegenwoordig komt het regelmatig voor dat teven niet duidelijk aangeven wanneer ze gedekt kunnen worden. Soms bevindt de gekozen reu zich op grote afstand van de teef, of moet de teef met kunstmatige inseminatie bevrucht worden. Met name in deze situaties kan het zinvol zijn om het juiste dekkingsmoment vast te stellen door middel van een progesteron-bepaling in het bloed van de loopse teef. Progesteron is een hormoon welk een rol speelt in de voortplantingscyclus bij de teef.

Wanneer de teef niet drachtig is, of zij niet in de eerste 9 weken van de loopsheid zit, is het progesterongehalte in het bloed op een laag niveau (in rust). Vanaf het begin van de loopsheid stijgt de hoeveelheid progesteron in het bloed snel. Door middel van het meten van de progesteronwaarde in het bloed kan goed bepaald worden waar de teef zich in haar vruchtbaarheidscyclus bevindt, en daarmee dus goed vastgesteld worden wanneer het ideale dekmoment daar is.

Uitvoering

​Eerste meting van het progesterongehalte in het bloed vindt plaats op dag 7 of 8 van de loopsheid. Hieruit kan een advies volgen voor een ideaal dekmoment, of een advies om over 1, 2 of 3 dagen opnieuw een waardebepaling te doen. Uiteraard is dit allemaal afhankelijk van de uitkomst van de eerste bloedwaarde. Meestal zijn er een aantal bepalingen nodig om het juiste tijdstip voor de dekking vast te stellen. U zult dus meestal enkele malen naar de praktijk toe moeten komen met de teef. Het bloedonderzoek wordt bij ons met een zeer betrouwbare kwantitatieve bepaling in de kliniek uitgevoerd terwijl u wacht. U krijgt dan gelijk advies over het verdere traject.

De drachtige hond

Uw hond is naar de reu geweest en waarschijnlijk drachtig. Wellicht is het raadzaam u enige aanwijzingen en raadgevingen mee te geven om een zo ongestoord mogelijk verloop van de drachtigheid en bevalling te verkrijgen.

Het is niet nodig om de teef extra te voeren in de eerste zeven weken van de dracht. Het kan zelfs voorkomen dat de teef rond de 28-30ste dag van de dracht enige dagen weinig eet. Vanaf de 45ste dag en zolang de teef melk geeft kunt u de teef puppybrokken gaan voeren. Puppy brokken bevatten meer vitaminenen mineralen en energie. Maar past u in deze fase goed op dat de hond niet vet wordt, een te dikke/vette hond heeft sneller problemen bij de bevalling.

Vaststellen drachtigheid

Drachtigheid bij de hond is vanaf 25 dagen na de dekking vast te stellen middels echoscopie. De buik van de teef wordt dan geschoren, er wordt een beetje gel op de de huid aangebracht en via een apparaat wat geluidsgolven afgeeft en opvangt kan op een beeldscherm waargenomen worden of de teef drachtig is. Hoeveel vruchtjes er aanwezig zijn in de baarmoeder is echter moeilijk te zeggen. Dit komt omdat het bewegende beelden zijn. Meer zekerheid over het aantal pupjes kan gegeven worden door een röntgen van de buik te maken. Dit kan vanaf 40-45 dagen van de drachtigheid.​

​Drachtigheidsduur en ontwormen

Het is raadzaam om vlak voor of vlak na de bevalling uw teef éénmaal te ​ontwormen. De bevalling vindt plaats tussen de 56 en 67e dag. Gemiddeld bij 63 dagen. Over het algemeen kan gezegd worden dat de dracht bij een "groter" nest korter duurt dan wanneer er minder pups geboren worden.

​Verschijnselen van de naderende bevalling

​Ruim voor de bevalling zal u waarschijnlijk al wel zijn opgevallen dat de buikomvang van uw teef is toegenomen en dat ook de melkklieren opgezet zijn. Bij een niet-drachtige teef kunnen de melkklieren ook opzetten. We spreken dan van schijndracht. Enige tijd voor de bevalling daalt de lichaamstemperatuur van teef beneden de normale waarden voor een hond (38,0 - 39,0). Deze periode kan enige dagen duren. Vlak voor de bevalling zakt de temperatuur zelfs vaak tot 36,5 C. Soms valt het op dat de teef een heldere, taaie, soms iets melkachtig wit slijm verliest. Dit is het teken dat de ontsluiting en de bevalling binnen 24 uur moet plaatsvinden. Vlak vóór de bevalling stijgt de lichaamstemperatuur van de teef weer tot boven de 37,0 C. Dit is het gevolg van de toegenomen weeënactiviteit.

​De bevalling

Binnen enkele uren nadat het eerste vruchtwater is afgekomen, moet de eerste pup geboren zijn. Het vruchtwater kan overigens wat groen van kleur zijn. In dat geval moet de eerste pup binnen 1 uur geboren zijn. Zoniet dan dient u de dierenarts te waarschuwen. De dierenarts moet ook gebeld worden wanneer de teef 20 minuten duidelijk perst zonder dat er een pup geboren is. Bij twijfel dierenarts bellen! De gemiddelde tijd tussen de geboorte van 2 pups is ongeveer 15 minuten. Soms heeft de teef na de geboorte van enkele pups een pauze in de bevalling. Het kan dan tot enkele uren duren voordat de bevalling weer op gang komt. Tijdens zo'n pauze word er niet geperst. Perst de teef wel, maar komen er geen pups, dan dient gecontroleerd te worden waarom de bevalling niet vordert, en zonodig een weeën versterkend middel te worden ingespoten (oxcytocine).

​Na de bevalling 

De navelstreng scheurt meestal spontaan op de goede plaats af. Mocht een navelstreng toch bloeden dan kunt u deze afbinden met een stevige garendraad ontsmet met wat spiritus of betadine. Het is verstandig om ook de nageboorten (placenta's en vliezen) te tellen. Iedere pup heeft zijn eigen placenta en achterblijvende placenta's kunnen ontstekingen veroorzaken. De teef heeft de neiging om alle nageboorten op te eten. Dit instinct is om het nest schoon te houden. De teef kan wel misselijk worden als er veel placenta's opgegeten worden. Mocht de teef na de bevalling onrustig blijven, dan dient u de teef te laten controleren of zij inderdaad "leeg" is. Zonodig geeft de dierenarts haar dan oxcytocine om eventueel achtergebleven nageboorten of pups alsnog af te laten komen.

Het is verstandig om de pups te merken met nagellak of een gekleurd bandje en te wegen op een nauwkeurige (digitale) weegschaal. Dit moet tweemaal per dag gebeuren en het gewicht van de pups moet genoteerd worden, om de groei te kunnen volgen. De pups mogen na de bevalling NIET afvallen. Gebeurt dit wel dan is er iets mis. Of de teef heeft te weinig melk of de pups drinken te weinig, bijvoorbeeld door een opkomende ziekte. Wanneer één of meerdere pups niet groeien of afvallen dient u de dierenarts te bellen voor overleg.

De pups

De pups horen vanaf de geboorte dagelijks te groeien. Op 10 dagen na de geboorte gaan de oogjes open en hebben de pups normaliter hun geboortegewicht verdubbeld.

Wormkuren

​De pups kunnen al via de placenta bij de moeder besmet zijn met wormen. Ook tijdens het zogen krijgen zijn wormeneitjes via de moedermelk binnen. Volgens de officiële richtlijnen dient u aan de pups op de leeftijd van 2, 4, 6 en 8 weken te ontwormen. Vervolgens elke maand tot de pups een half jaar oud zijn. Zogende teven dienen steeds met de pups mee ontwormd te worden. Daarna is het verstandig de pups regelmatig te ontwormen. Hoeveel keer per jaar hangt sterk af van de leefomstandigheden van de hond. Het is mogelijk om in de praktijk ontlasting van de hond te laten onderzoeken op de aanwezigheid van wormen/eitjes, zodat alleen wanneer dat nodig is een wormenkuur gegeven kan worden.

Inentingen

De eerste enting dienen de pups te krijgen op een leeftijd van zes weken eventueel in combinatie met het plaatsen van een identificatiechip. De tweede vaccinatie (Parvo, Parainfluenza en Weil) volgt als ze negen weken oud zijn eventueel in combinatie met een kennelhoest vaccinatie. De derde enting is de Cocktailenting volgt op de leeftijd van drie maanden.

Melkkliergezwellen

Melkkliergezwellen zijn de meest voorkomende soort van gezwellen bij de hond. Ze kunnen zowel goed als kwaadaardig zijn. Bij oudere teven voelen we knobbeltjes onder de buik in de buurt van de tepels.

Voorkomen

​De aandoening komt uitsluitend bij teven voor. Die dieren zijn vaak van middelbare leeftijd (ongeveer 7 jaar) als de eerste knobbeltjes ontstaan. Honden die jong gesteriliseerd zijn, dat wil zeggen vóór de vijfde loopsheid, lopen veel minder risico. Dieren die veel met antiloopsheid preparaten (prikpil bijvoorbeeld) behandeld zijn hebben méér kans op problemen. Het maakt niet uit of de teven een nestje hebben gehad.

Oorzaak

​De oorzaak van melkkliertumoren is, zoals bij ieder gezwel, een ontsporing van de normale celgroei. De groei van cellen wordt door het lichaam strak in de hand gehouden. Er mogen er niet te veel of te weinig zijn. Bij tumoren gaat de groei ongeremd door met alle gevolgen hiervan. Dat hormonen bij het ontstaan van melkkliergezwellen een belangrijke rol spelen blijkt uit het feit dat jong gesteriliseerde teven bijna nooit gezwellen krijgen, terwijl niet gesteriliseerde teven vaak tumoren ontwikkelen. Het geven van extra hormonen (antiloopsheidmiddelen) doet het risico toenemen.

Diagnose

​Het is niet zo moeilijk om vast te stellen of een dier gezwellen in de melkklieren heeft. Onder de buik zijn dan in de buurt van de tepels onderhuidse knobbels voelbaar. Het is helaas niet mogelijk om aan de buitenkant te zien of een knobbel goed- of kwaadaardig is. Een extra probleem is dat melkkliergezwellen goedaardig kunnen beginnen, maar dan later toch kwaadaardig kunnen worden. Bij het onderzoek letten we op de grootte, plaats, aantal en verplaatsbaarheid van de knobbels. Het is mogelijk om door het wegnemen en laten onderzoeken van een stukje weefsel vast te stellen om wat voor soort gezwel het gaat. Nadeel is dat het gezwel verder blijft zitten, waardoor vaak een tweede operatie nodig is. Bij een goedaardig gezwel is er bovendien kans dat als het blijft zitten het later toch nog ontaardt. Dit is reden voor ons om in de meeste gevallen de hele tumor weg te nemen. Hiernaast controleren we lymfeklieren en longen op eventuele uitzaaiingen. Dit kan door voelen, het wegnemen van kleine stukjes weefsel met een naald, of bij de longen door middel van röngenfoto's.

Behandeling

​Als er al uitzaaiingen aanwezig zijn is genezing niet meer mogelijk. In sommige gevallen is het wel mogelijk om door een operatie of een chemokuur het leven van de patiënt te verlengen en de pijn te verlichten. Helaas is het niet mogelijk om met zekerheid vast te stellen dat er géén uitzaaiingen zijn. In een vroeg stadium kunnen ze zo klein zijn dat ze niet of nauwelijks op te sporen zijn. Zijn er geen uitzaaiingen te vinden, dan is behandeling zinvol. Zeker bij kwaadaardige tumoren geldt dat hoe eerder ze weggehaald worden, des te groter de kans op genezing is. Het is een fabeltje dat gezwellen harder gaan groeien als er aan geopereerd wordt en dat je ze daarom beter kunt laten zitten. Bij de operatie worden de tumoren met omringend weefsel ruim weggenomen om zeker te zijn dat al het afwijkende weefsel verwijder is. Meestal zullen we proberen om een komplete melklijst te verwijderen. Dit betekent dat we alle melkklieren aan een kant wegnemen. Op deze wijze voorkomen we dat we weefsel laten zitten wat ook kan ontaarden en een nieuwe operatie noodzakelijk maakt. Bij de meeste dieren is het technisch niet mogelijk in één operatie beide kanten te behandelen. Mocht het toch nodig zijn om beide zijden te verwijderen dan doen we dit in twee operaties met 6 weken tussentijd, zodat de wond eerst kan genezen. Eventueel kan de operatie wel worden gekombineerd met een sterilisatie. Zo wordt voorkomen dat de hond later nog een baarmoederontsteking kan krijgen (een veel voorkomende kwaal bij oudere teven). Bovendien is een volgende melkklieroperatie dan makkelijker, omdat het klierweefsel kleiner wordt. Het helpt echter niet meer om nieuwe gezwellen te voorkomen.

Complicaties

​Iedere operatie kent zijn problemen. Bij melkklieroperaties zien we nog wel eens wat problemen met de wondgenezing. Gezien de grootte van de operatiewond is dit niet vreemd. Soms zien we een ophoping van onderhuids wondvocht. Dit laat zich goed behandelen. Bij kleine hoeveelheden vocht zuigen we het met een spuitje weg, bij grotere hoeveelheden plaatsen we een drain (een slangetje).Een ander probleem zijn wondinfecties. Deze ontstaan vaak doordat de dieren aan de wond likken, waardoor de wond ontstoken raakt. Het likken kan worden voorkomen door het dier een kap om te doen. Dit vinden ze niet leuk, maar het is beter dan wekenlang een ontstoken wond te hebben.

Vooruitzichten​

De vooruitzichten voor een teef na behandeling zijn afhankelijk van het soort gezwel wat is weggehaald. Bij een goedaardig gezwel zijn er geen problemen te verwachten, maar bij kwaadaardige gezwellen is er altijd kans op aangroei van het gezwel (als het niet geheel verwijderd was) of uitzaaiingen. Een zinvolle uitspraak over de aard van het gezwel is alleen mogelijk als het opgestuurd is voor weefselonderzoek. Uitzaaiingen zijn in een vroeg stadium helaas op geen enkele wijze aan te tonen. De aanwezigheid hiervan wordt soms pas na maanden duidelijk.

Voorhuidontsteking

Voorhuidontsteking of balanopostitis in vaktaal is een veel voorkomend probleem bij reuen. De reu verliest hierbij steeds enkele druppeltjes pus uit z'n voorhuid. De hond zelf heeft er nauwelijks hinder van, maar zijn omgeving vaak des te meer.

De oorzaak

​De oorzaak is een infectie van de voorhuid. Dit treedt heel makkelijk op omdat de omstandigheden binnen de voorhuid ideaal zijn voor een kwaadwillende bacterie. Het is er warm, vochtig en ook aan voedsel in de vorm van urine is geen gebrek.

Optreden

​Voorhuidsontsteking zien we bij geslachtrijpe reuen van alle rassen en alle leeftijden. Bijna alle reuen hebben er af en toe last van, maar bij sommigen neemt het echt hinderlijke vormen aan.

Diagnose

​Het is niet moeilijk om vast te stellen of een reu een voorhuidsontsteking heeft. Een blik op z'n geslachtsdeel is meestal voldoende om te weten hoe het ervoor staat. Bovendien verraadt de patiënt zich door een spoor van pusdruppeltjes achter te laten.

Behandeling

​De behandeling bestaat uit het bestrijden van de infectie. Dit kan door in de voorhuid desinfecterende vloeistof of zalf aan te brengen (de z.g. voorhuidcleaners) of een penicillinekuur. Het vervelende is alleen dat na het stoppen van de behandeling de klachten vroeg of laat weer terugkeren. Als laatste mogelijkheid is er nog het castreren van de hond. Dit is in ongeveer 80% van de gevallen voldoende om de kwaal definitief te verhelpen. In de overige 20% worden de klachten meestal wel veel minder.

Anaalklieren

De anaalklieren zijn twee kleine geurkliertjes die in de sluitspier van de anus ingebed liggen. Bij de voorouders van onze honden (wolven) gaven ze de ontlasting een speciaal geurtje. Hiermee werd het territorium afgebakend. Bij onze huishonden is deze functie grotendeels verloren gegaan. De kliertjes zijn er nog wel en kunnen voor veel overlast zorgen door overvuld of ontstoken te raken. Katten hebben ook anaalklieren maar hebben er gelukkig haast nooit last van.

Voorkomen

Anaalklierproblemen zien we vaker bij bepaalde rassen optreden. Voorbeelden zijn cocker spaniëls, golden retrievers, pinschers, Duitse herders en terriërs.

Klachten

Honden kunnen zelf niet bij hun anaalklieren. Als de kliertjes overvuld of ontstoken zijn, bijt of likt de hond in het gebied rond de staart, soms tot bloedens toe. Ook het zogenaamde sleetje rijden is een poging van de hond om van de irritatie en jeuk af te komen. De hond schuift hierbij met z'n achterste plat over de grond, vaak met de achterpoten omhoog.

Een ander probleem is het anaalklierabces. Hierbij is een ontsteking ontstaan in de vaak overvulde anaalklier en is het kliertje gevuld met pus. De pus baant zich vervolgens een weg naar buiten toe. Als het abces nog niet doorgebroken is naast de anus een zeer pijnlijke zwelling zichtbaar. Is het abces wel doorgebroken dan ziet u naast de anus een klein gaatje waar bloed en etter uitkomt.

Vanwege de pijn is het noodzakelijk om deze abcessen snel te laten behandelen met pijnstillers en antibiotica.

Diagnose

​Heeft uw hond jeuk bij de aanzet van de staart, rijdt hij sleetje of ziet u een vreemde zwelling bij zijn anus, dan is de kans groot dat er iets mis is met z'n anaalklieren en is een bezoek aan uw dierenarts aan te raden. Uw dierenarts zal eerst kijken of er misschien nog andere oorzaken zijn voor de klachten (lintwormen, vlooien) en vervolgens de anaalklieren van de hond bevoelen. Aangezien de kliertjes in de sluitspier zitten betekent dit dat hij de hond rectaal zal moeten onderzoeken. Met een vinger in de anus wordt de anaalklier opgezocht en indien nodig leeggedrukt. Dit is voor de hond onaangenaam, maar alleen bij een ontsteking echt pijnlijk. Het stinkt wel!

Behandeling

​In de meeste gevallen is het voldoende als uw dierenarts de kliertjes leegdrukt, maar in enkele gevallen is verdere behandeling noodzakelijk. Als de anaalklier ontstoken is, zal de dierenarts uw dier een antibiotica kuur voorschrijven, eventueel aangevuld met medicijnen om de jeuk en irritatie de kop in te drukken. 

Anaalklierabcessen worden geopend en indien nodig uitgespoeld, maar dit is meestal zo pijnlijk dat de hond een roesje krijgt. Bij sommige dieren helpt het leeg drukken van de kliertjes maar heel kort.

Na enkele weken zijn ze weer vol en beginnen de problemen opnieuw. Als de hond zich goed laat behandelen kan de eigenaar ook zelf leren om de anaalklieren uit te knijpen. Bij chronische anaalklierproblemen is het soms verstandig om de klieren operatief weg te nemen, de hond is dan definitief van de problemen af

Operatie

​Zoals hierboven beschreven bestaat de mogelijkheid om de klieren (het zijn er twee) operatief te verwijderen. De hond wordt verdoofd, de haren om de anus worden weggeschoren en de anaalklieren leeggedrukt. De kliertjes worden vervolgens gevuld met een kunsthars om ze tijdens de operatie makkelijker terug te vinden. Naast de anus wordt een klein sneetje gemaakt en de anaalklier wordt uit de sluitspier gepeld en verwijderd. Vervolgens wordt de wond gehecht.

De tweede klier wordt op dezelfde wijze behandeld. De sluitspier en de zenuwen dierer naast lopen mogen niet worden beschadigd, want dit kan leiden tot incontinentie (het niet meer op kunnen houden van ontlasting).

Samenvatting

​Anaalklierproblemen komen vaak bij honden voor. Meestal is er sprake van jeuk in de buurt van de staart. De problemen zijn goed te behandelen, maar in hardnekkige gevallen kan een operatie de aangewezen weg zijn.

Epilepsie

Epilepsie of vallende ziekte is een aandoening van de hersenschors die ertoe leidt dat de patiënt tijdelijk de controle over een deel van zijn lichaamsfuncties verliest. Bekend zijn de toevallen waarbij de hond omvalt, hevige spierkrampen krijgt, schuimbekt en urine of ontlasting laat lopen. Er zijn echter ook mildere vormen van epilepsie.

Oorzaken

​Zoals gezegd wordt epilepsie veroorzaakt door een storing in de functie van de hersencellen. De oorzaak van deze storing kan gelegen zijn in de hersencellen zelf, maar ook allerlei ziekten elders in het lichaam kunnen het probleem veroorzaken. In veruit de meeste gevallen is er sprake van een kortdurende, tijdelijke ontregeling van de hersenfunctie. We spreken dan van primaire epilepsie.

Voorkomen

​Epilepsie komt regelmatig voor bij honden. Sommige rassen zijn duidelijk gevoeliger dan andere (poedels, Welsh springer spaniëls, Duitse staande zijn voorbeelden), maar het kan bij ieder ras voorkomen. Echte (primaire) epilepsie komt zelden voor bij honden jonger dan acht maanden. Meestal openbaart de ziekte zich tussen het eerste en derde levensjaar. Bij oude dieren is er vaak een andere oorzaak. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld hersenbloedingen of gezwellen.

Diagnose

​Het is voor ons dierenartsen niet eenvoudig om vast te stellen of een dier epilepsie heeft. De toevallen duren zo kort dat de patiënt bijna altijd al weer uit de aanval is bijgekomen bij binnenkomst in de kliniek. Het verhaal van de eigenaar is daarom van groot belang. We willen graag weten hoe oud het dier is, hoe vaak de aanvallen optreden, hoelang ze duren, of er ook andere klachten zijn enzovoorts. Een probleem hierbij is dat de aanvallen meestal komen als het dier in rust is, dus vaak 's nachts. Het is daarom goed mogelijk dat een dier al meerdere aanvallen gehad heeft voordat het de baas opvalt. Bij jonge dieren met een duidelijk verhaal van toevallen is het meestal niet nodig om uitgebreid onderzoek te doen. Dit is wel het geval bij oudere dieren, of bij jonge dieren met meer klachten dan toevallen alleen. Aanvullend onderzoek kan bestaan uit bloedonderzoek, röntgenfoto's, hartfilmpjes etc.

Behandeling

​Aangezien de aanvallen maar kort duren en vanzelf verdwijnen is het niet altijd nodig om een epilepsie patiënt te behandelen. Een vuistregel is dat als het dier niet vaker dan eens per zes weken een toeval heeft en deze toevallen mild van aard zijn er geen behandeling nodig is. Komen de toevallen vaker of kort achter elkaar of heeft de patiënt zware toevallen, dan is het raadzaam het dier te gaan behandelen. Er zijn een aantal soorten medicijnen die gebruikt worden bij epilepsie, waarvan fenobarbital en het hier van afgeleide mysoline de belangrijkste zijn. Bijwerkingen zijn slaperigheid en soms leverbeschadigingen. Momenteel wordt er onderzoek gedaan naar andere medicijnen, maar de experimenten zijn nog niet afgerond.

Erfelijkheid

​Primaire epilepsie is een aangeboren en waarschijnlijk erfelijk gebrek. Het is dus verstandig om niet te fokken met dieren die er aan lijden.

Samenvatting

​Heeft uw huisdier toevallen dan kan dit epilepsie zijn, maar dit hoeft niet. Raak niet in paniek en neem contact op met uw dierenarts. Overleg met hem (of haar) of het nodig is nader onderzoek te doen en een behandeling in te stellen. Dieren met epilepsie kunnen hier heel oud mee worden. Epilepsie veroorzaakt maar uiterst zelden gedragsafwijkingen bij uw dier. Het is een aandoening waar zowel hond als baas mee kunnen leren leven.

Oorontsteking

Oorontsteking is een veel voorkomend probleem bij hond en kat. De dieren schudden met hun kop, krabben aan hun oor en piepen soms van de pijn. Het oor zelf is vies en rood. In de meeste gevallen is er sprake van een ontsteking van de gehoorgang. Af en toe zien we ook bij onze huisdieren middenoorontstekingen.

Voorkomen

​Bij alle honden- en kattenrassen kan een oorontsteking voorkomen. Bij honden is het wel zo dat sommige rassen er gevoeliger voor zijn dan andere. Voorbeelden zijn cocker spaniëls, Duitse herders en golden retrievers.

Oorzaken

​Bij jonge dieren en bij katten die veel buiten komen zijn oormijten een belangrijke oorzaak voor oorontsteking. Oormijten zijn kleine witte spinachtige insekten die leven van oorsmeer. Ze zijn zo klein dat ze met het blote oog moeilijk waar te nemen zijn. Ze kunnen ook hevige jeuk aan kop en hals geven, die soms óók na bestrijding van de mijten nog enkele weken aanhoudt. Hiernaast zijn er verschillende soorten bacteriën en gisten die ook graag in de gehoorgang willen leven en zo voor problemen zorgen.

Diagnose

Een oorontsteking laat zich makkelijk vaststellen. Het dier houdt z'n kop scheef, flappert met z'n oren of krabt eraan en piept soms van de pijn. De binnenkant van de oorschelp is rood en is vies, er kan een onaangename lucht uit het ook komen en er kan vocht geproduceerd worden. Bij een middenoorontsteking kan het evenwichtsorgaan aangetast worden. In dat geval zijn de klachten ernstiger. Het dier krijgt evenwichtsstoornissen, loopt kringetjes of valt zelfs om. 

Bij ieder dier met een oorontsteking is een goed onderzoek van belang. De dierenarts zal moeten kijken of er sprake is van een besmetting met oormijt, een infectie van alléén de gehoorgang of dat er meer aan de hand is. Soms is aanvullend onderzoek nodig. Hierbij kunnen we denken aan een uitstrijkje of een kweek van het oorsmeer, maar ook aan röntgenfoto's van de schedel.

​Behandeling

​Bij oormijt kun u met oorzalf met een insecticide erin goede resultaten boeken. Bij infecties met bacteriën of gisten zijn penicillinehoudende zalven nodig. Als de gehoorgang erg vies is spoelen we eerst (onder verdoving) de oren uit. Eventueel kunnen we bij dieren die veel last hebben pijnstillers of jeukonderdrukkende tabletten meegeven om de pijn te verlichten. Bij een middenoorontsteking is een (langdurige) behandeling met penicilline noodzakelijk. Bij dieren met steeds terugkerende ontstekingen, die hierdoor een dichtgewoekerde gehoorgang hebben gekregen, kunnen we operatief de gehele gehoorgang verwijderen. De problemen zijn dan definitief over, maar uw dier is dan ook bijna doof geworden. Deze operatie is dan ook een laatste redmiddel bij hopeloze gevallen.

Zalven

​In de meeste gevallen zullen wij u vragen om de oren van uw dier met zalf te behandelen. Dit gaat als volgt:

  • Zorg dat er een klein beetje zalf aan de buitenkant van het tuitje van de tube zit. Dit vergemakkelijkt het inbrengen.
  • Het is belangrijk om de zalf in de gehoorgang zelf aan te brengen. Dit betekent dat u bij een kat het tuitje voor de helft en bij een grote hond geheel in het oor steekt.
  • Knijp dan een beetje zalf uit de tube en masseer de gehoorgang grondig, zodat de zalf zich goed kan verdelen.
  • Maak met een wattenprop de oorschelp schoon (geen wattenstaafjes!).
  • Deze behandeling moet, tenzij anders voorgeschreven, dagelijks herhaald worden.

Samenvatting

Vermoedt u bij uw dier een (midden)oorontsteking, laat er dan snel naar kijken. Het is een pijnlijke kwaal en de problemen kunnen soms groter zijn dan u denkt.

Suikerziekte

Suikerziekte wordt veroorzaakt doordat de alvleesklier niet meer in staat is het hormoon insuline te maken. Insuline zorgt ervoor dat het suiker wat o.a. met de voeding binnenkomt, omgezet wordt in andere stoffen. Omdat er in het lichaam geen of te weinig insuline wordt aangemaakt, stijgt het bloedsuikergehalte in het bloed. Dit heeft o.a. tot gevolg dat het dier ondanks soms aanvankelijk veel eten en dikker worden, later vermagert. Tevens zorgt het hoge bloedsuiker gehalte ervoor dat de nieren niet goed functioneren, er te weinig vocht in het lichaam wordt vast gehouden en uw huisdier veel gaat plassen. Om dit vochtverlies aan te vullen gaat hij/zij tevens zeer veel drinken.

Om deze kwaal te behandelen, moeten we, aangezien de alvleesklier zelf geen insuline meer maakt, dit zelf aan het dier toedienen. Dit stuit op een paar praktische problemen, welke echter in de praktijk meestal goed zijn op te lossen.

Omdat het hormoon insuline uit eiwit bestaat, kan dit niet als tablet o.i.d. worden toegediend, omdat het dan net als andere eiwitten uit de voeding in het maagdarmkanaal wordt verteerd. Dit toedienen moet dus per injectie geschieden. Iets wat de eigenaar van het dier aanvankelijk erger vindt dan uw huisdier zelf. Deze went hier zeer snel aan, temeer daar het na het spuiten altijd te eten krijgt, en het spuiten dus al snel associeert met te eten krijgen. Aangezien de insuline behoefte van moment tot moment kan verschillen, moet de insuline een keer per dag worden toegediend. Tevens moet zo'n twee keer per week de urine worden gecontroleerd, om te zien of nog wel de juiste hoeveelheid insuline wordt toegediend. Dit leert men in de praktijk meestal zeer snel aan.

Het spuiten van de insuline dient elke ochtend omstreeks dezelfde tijd plaats te vinden. Direct hierna moet een vast afgepaste hoeveelheid eten worden gegeven. Een tweede maaltijd moet omstreeks 16.00 - 16.30 uur gegeven worden. De hoeveelheid voedsel moet steeds ongeveer gelijk gehouden worden, omdat met de hoeveelheid voedsel ook de hoeveelheid benodigde insuline mede samenhangt.

Het spuiten van een geringe hoeveelhied insuline levert nooit gevaar op. Wel gaat uw huisdier t.g.v. het stijgen van de bloedsuikerspiegel weer zeer veel plassen en zeer veel drinken.

Wel zeer bedacht moet u zijn dat u niet veel te veel insuline inspuit, gezien dit kan leiden tot een zeer sterke bloedsuikerdaling, die uitmondt in coma en sterfte. De eerste verschijnselen van zo'n 'hypo' zijn: Honger, onrust, slap op de poten en spiertrillingen, later evt. bewustzijnsverlies. U dient uw huisdier dan onmiddelijk via zijn bek wat suiker/stroop/ of zoet eten toe, en het dier herstelt snel. Wel ervoor zorgen dat er dan ook 's nachts extra eten ter beschikking staat en volgende dag een halve dosering spuiten.

Tandsteen

Tandsteen is de benaming voor de bruine aanslag die we op het gebit van onze dieren kunnen aantreffen. Het bestaat uit plak, mineralen uit het speeksel en bacteriën. Zowel honden als katten kunnen er problemen mee hebben. Voor ons is het meest opvallende verschijnsel een onfrisse adem en een vies gebit.

Gevolgen

​Tandsteen wordt gevormd op het glazuur van het gebit, vooral op de overgang van tand naar tandvlees. Het werkt zich als een wig onder het tandvlees. Het tandvlees raakt ontstoken en de wortels van tanden en kiezen komen bloot te liggen. Het gebit komt hierdoor los te zitten. Door deze ontsteking in de mondholte gaat uw dier onaangenaam ruiken uit zijn bek. 

Ondanks al deze narigheid hebben de dieren meestal weinig problemen met kauwen, tenzij ook de grote scheurkiezen aangetast zijn. De ontsteking kan wel duidelijk voor pijn zorgen. Soms kunnen bacteriën uit een ontstoken mond het lichaam binnendringen en elders klachten geven. Berucht hierbij zijn tussenwervelschijf- en hartklepontstekingen. In het algemeen voelt de hond zich een stuk beter nadat tandsteen is verwijderd en eventuele ontstoken of losse gebitselementen zijn getrokken.

Diagnose

​Het is niet moeilijk om vast te stellen of uw dier last heeft van tandsteen. Ernstige gevallen verraden zich door een zeer slechte adem. Verder is het zaak het gebit van uw dier regelmatig aan een inspectie te onderwerpen. Let hierbij vooral op de hoektanden en de grote kiezen helemaal achterin de mond. Hier zit het eerste en het meeste tandsteen. U herkent het als een bruine aanslag op het gebit.

​Behandeling

​De enige manier van behandelen bestaat uit het verwijderen van het tandsteen. Bij onze huisdieren moet dit doorgaans onder verdoving gebeuren. Het is anders niet goed mogelijk om vooral achterin het gebit goed schoon te maken. Hierbij geven we meestal een penicillinekuur om de ontsteking van het tandvlees te genezen. Het reinigen gebeurt met hetzelfde instrumentarium als de tandarts bij ons gebruikt. Als het gebit goed schoon is inspecteren we het gebit nauwkeurig. Rotte en loszittende elementen worden verwijderd. Gaten kunnen eventueel worden gevuld. Daarna wordt het gebit gepolijst en voorzien van een beschermende waxlaag die het terugkomen van het tandsteen vertraagd. Als na enkele dagen het tandvlees weer is hersteld kan met poetsen worden begonnen.

Preventie

​Als u wilt voorkomen dat uw huisdier tandsteen krijgt, moet u goed op z'n voeding letten. Zacht voedsel zoals dinner of blikvoer laten makkelijker een plaklaagje op de tanden achter. Zorg dus voor een soort voedsel dat uw dier dwingt tot kauwen om het gebit maar ook het tandvlees schoon en gezond te houden. Bepaalde kauwstaven zijn hiervoor speciaal ontwikkeld. Zelfs dieren die een gedeelte van hun gebit moeten missen kunnen vaak harde brokken goed verwerken.

U kunt ook proberen om de tanden van uw dier te poetsen. Meestal laten ze dit na enige tijd goed toe. Er zijn hiervoor inmiddels speciale tandpasta's en tandenborstels voor in de handel. Normaal gesproken is het voldoende als u drie tot vier maal per week het gebit van uw huisdier verzorgt.

Sommige honden spelen vaak met tennisballen en takken. Deze dingen zitten vaak onder het zand en tanden zullen hierdoor sneller afslijten. De betere dierenwinkel heeft speeltjes en ballen die beter zijn voor het gebit. Ziet u ondanks alle voorzorgen toch tandsteen, neem dan contact op met uw dierenarts en overleg of behandeling al noodzakelijk is.

Gescheurde kruisbanden

Gescheurde kruisbanden zijn een veel voorkomende oorzaak van kreupelheid in de achterpoot bij de hond. De kreupelheid ontstaat plotseling. De oorzaak is meestal een verkeerde beweging of te wilde stoeipartij.

​Voorkomen

Gescheurde kruisbanden zien we bij alle rassen. Boxers, rottweilers en terriërs zijn er wel wat gevoeliger voor dan het gemiddelde ras. Sommige dierenartsen spreken zelfs over boxerknietjes.

​De kruisbanden zijn twee banden die kruiselings tussen scheenbeen en dijbeen gespannen zitten. Ze dienen om deze twee botten ten opzichte van elkaar vast te houden. Het is meestal de voorste kruisband die scheurt. Als deze band kapot is, is de knie niet meer stabiel. Dijbeen en scheenbeen schuiven over elkaar, waardoor de meniscus, die tussen deze botten ligt, ook kan scheuren. De meest voorkomende manier om een kruisband te scheuren is bij een combinatie van overstrekken en draaien van de knie. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer het dier in een gat stapt, uitglijdt, of met spelen een ongelukkige beweging maakt.

​Diagnose

​Om vast te stellen of een dier een gescheurde kruisband heeft is een zorgvuldig onderzoek nodig. Hierbij letten we vooral op de mate van speling in de knie. Als de kruisband doormidden is kunnen dijbeen en scheenbeen ten opzichte van elkaar verschoven worden. Hiernaast vinden we vaak overvulling van de knie en pijn bij het buigen en strekken. Om dit onderzoek goed te kunnen uitvoeren is ervaring nodig. Het gaat meestal om subtiele veranderingen in de bewegelijkheid van de knie. Soms kan aanvullend onderzoek nodig zijn (röntgenfoto's of arthroscopie).

Behandeling

​Een knie met een kapotte kruisband is ernstig beschadigd. Ondanks de beste behandeling zal er maar zelden volledige genezing optreden. Als de band geheel doormidden is, is een operatie noodzakelijk. Hierbij worden de restanten band verwijderd en de knie nagekeken op verdere beschadigingen. Bij dit laatste moeten we vooral aan een kapotte (binnen)meniscus denken. Vervolgens moet de knie weer gestabiliseerd worden. Hiervoor bestaan zeer veel technieken en de keuze is afhankelijk van soort en grootte van de hond en voorkeur van de chirurg. Bij kleine honden (tot 11 kg) worden buiten de knie om kunststofkruisbanden aan gebracht, bij grotere honden wordt vaak een stuk kniepees of knieband gebruikt als vervanging voor de gescheurde band. 

De herstel periode is lang. De eerste zes weken mag de hond maar beperkt beweging krijgen (wandelen aan de lijn, niet spelen etc.). Daarna mag het dier langzaam meer meer gaan doen. In de meeste gevallen is 70-80% functieherstel mogelijk. Helaas treedt de aandoening bij 40-60% van de honden na verloop van tijd ook in de andere knie op.

Preventie

​Een steile stand van het achterbeen zoals we bij boxers, chow's en rottweilers zien, leidt tot een zware belasting van de voorste kruisband. Deze honden zullen dus makkelijker hun band scheuren dan dieren met een betere (minder steile) stand van het achterbeen. Verder kan iedere hond een ongeluk krijgen. Voorkomen van deze problemen lukt dus niet altijd. Wees wel voorzichtig met ruwe spelletjes op een gladde ondergrond (parket, ijs).

Samenvatting

​Als uw hond plotseling kreupel is aan zijn achterpoot en de knie is dik of pijnlijk, dan is het heel goed mogelijk dat een kruisband beschadigd is. Hoe eerder de aandoening wordt behandeld, hoe beter de vooruitzichten zijn. Wacht in twijfelgevallen dus niet af, maar neem contact op met uw dierenarts.

Patella luxatie

Patella is de officiële naam voor de knieschijf. Een patella luxatie betekent dus een loszittende knieschijf. Er zijn verschillende vormen van luxaties. De meest voorkomende is de luxatie naar mediaal. Dit wil zeggen dat de knieschijf naar de binnenkant van de knie wegschiet. We zien dit vaak bij honden van de kleine rassen. De luxatie naar lateraal, waarbij de knieschijf naar buiten wegglijdt zien we soms bij de grote rassen, vaak in combinatie met een draaiing in het dijbeen. Deze laatste vorm is zeldzaam. In de rest van dit artikel zullen we het daarom alleen hebben over de luxatie naar mediaal.

Oorzaak

​Het kniegewricht wordt gevormd door het dijbeen en het scheenbeen. Voorop het dijbeen loopt een sleuf waar de knieschijf normaliter in ligt. Aan de knieschijf zit de kniepees die op haar beurt weer vast zit aan een beenkam op het scheenbeen. Bij sommige honden is de sleuf in het dijbeen ondiep en zit de aanhechting van de kniepees wat te ver naar binnen toe. De knieschijf kan dan makkelijk uit z'n sleuf naar binnen toe schieten. Als dit gebeurt spreken we van een patella luxatie.

Voorkomen

​De patella luxatie naar mediaal is vooral een probleem bij de kleinere honderassen, zoals terriërs, poedels, chihuahua's, papillons en andere schoothonden. Het komt echter ook bij de grotere rassen af en toe voor.

Diagnose

​De klachten van de hond hangen af van de ernst van de luxatie. We kennen verschillende vormen. Als de knieschijf er slechts incidenteel afschiet spreken we van een habituele luxatie. Honden die dit hebben lopen af en toe een paar passen met een pootje opgetrokken. De knieschijf is dan van zijn plaats geschoven. Na een paar stappen schiet hij weer terug en de hond loopt weer normaal verder. Voor huishonden hoeft dit geen probleem te zijn, maar voor een showhond is het een in het oog springend gebrek. Erger wordt het wanneer de knieschijf eraf ligt en slechts af en toe terugspringt. We spreken dan over een stationaire luxatie. Deze honden hebben problemen met overeind komen en met lopen. Ze gaan achter met o-beentjes en een soort kikkerpas lopen. De hond heeft hier zelf behoorlijk last van. De ergste vorm is wanneer de knieschijf er totaal afligt en ook niet meer op z'n plaats is terug te leggen. Deze dieren kunnen niet normaal staan en moeten "roeien" met hun achterpoten om vooruit te komen. Als de dieren onderzocht worden moet niet alleen naar de ligging van de knieschijf gekeken worden, ook de stand van het dijbeen, de kromming van de beenkam op het scheenbeen en de diepte van de sleuf in het dijbeen zijn van belang. Hiernaast zien we in combinatie met een patelle luxatie nog wel eens andere knieproblemen zoals gescheurde kruisbanden of gewrichtslijtage. Voordat tot een operatie wordt besloten moet dit eerst allemaal nagekeken zijn.

Behandeling

​Dieren met een hele lichte luxatie, waarbij de kniesschijf maar heel af en toe luxeert hoeven niet persé geopereerd te worden. Als de knieschijf vaker van z'n plaats schiet, of zelfs permanent verkeerd ligt moet er wel worden ingegrepen. De enige manier is operatief. Bij een lichte luxatie is het vaak voldoende om de aanhechting van de kniepees een stukje te verplaatsen. Dit gebeurt door de beenkam van het scheenbeen los te maken en op de correcte plaats weer vast te zetten. Als ook de sleuf in het dijbeen te ondiep is moet deze worden uitgediept. Vroeger gebeurde dit door in het dijbeen een nieuwe sleuf te frezen. Nadeel hiervan was dat het gewrichtskraakbeen onherstelbaar beschadigd werd. Daarom kiezen we nu liever voor technieken waarbij dit kraakbeen zoveel mogelijk gespaard blijft. Hiernaast wordt het gewrichtskapsel strakker gemaakt zodat de knieschijf beter op z'n plaats blijft liggen. De behandeling verschilt dus van geval tot geval en is afhankelijk van de ernst van de aandoening.

Erfelijkheid

​De aandoening is een erfelijk gebrek. Het is daarom raadzaam om niet te fokken met dieren met een duidelijke luxatie. De preciese wijze van overerving is niet bekend, maar zal waarschijnlijk op meerdere faktoren berusten, net zoals b.v. HD.

Preventie

​Afgezien van een gericht fokprogramma is er geen manier om luxaties te voorkomen. Traplopen, springen en dergelijke hebben géén invloed op het ontstaan van een luxatie.

Hond & allergie

Allergieën of overgevoeligheidsreacties zijn een belangrijke oorzaak van jeuk en huidklachten bij onze huisdieren. De verschijnselen variëren van af en toe een beetje jeuk tot onophoudelijk bijten, likken en krabben, soms tot bloedens toe. 

Oorzaak​

De problemen worden veroorzaakt doordat het dier overgevoelig is voor bepaalde stoffen in zijn omgeving. Het best valt dit te vergelijken met hooikoorts bij de mens. Ook hier is sprake van een allergische reactie op huisstof, graszaad en dergelijk. Bij honden blijken huisstof, huisstofmijten, mensen- en kattenhuidschilfers het vaak de boosdoener. Ook van het voedsel wordt veel gezegd dat dit allergieën zou opwekken. Dit is inderdaad mogelijk, maar uit onderzoek blijkt dat voeding toch maar voor een klein deel van alle overgevoeligheidsreacties verantwoordelijk is. Als een dier in contact komt met een stof die niet in zijn lichaam thuishoort, reageert hij hierop met een afweerreactie. Bij een allergische reactie gebeurt dit ook, maar dan heel sterk. Er is dus sprake van een soort paniekreactie van het lichaam op een betrekkelijk onschuldige stof. Waarom dit gebeurt is nog niet helemaal duidelijk, maar de gevolgen zijn duidelijk zichtbaar: Jeuk!

Verschijnselen

​Het meest opvallende verschijnsel is natuurlijk jeuk. Terwijl dieren met vlooien vaak alleen jeuk hebben bij hun staart en op hun rug, zie je bij allergie vooral jeuk aan kop, oorschelpen, poten en buik. De dieren likken en knagen aan hun poten en tussen hun tenen, schuren met de kop over de grond en krabben aan buik en oren. De huid kleurt door de voortdurende irritatie zwart en er zitten soms kleine puistjes op, die later openbarsten en kleine korstjes vormen.

Voorkomen

Allergieën komen voor bij alle rassen, maar bij sommige rassen zien we duidelijk meer problemen dan bij andere. Voorbeelden zijn golden retrievers, terriërs en poedels.

​Diagnose

​De meeste dieren met jeuk hebben geen allergie. De belangrijkste oorzaak voor jeuk blijven vlooien. Ook luizen, teken, vachtmijten en schimmels kunnen huidklachten geven. Bovendien bestaan er ziekten van de huid zelf. Om vast te stellen of een dier allergisch is, is het dus van belang eerst alle andere oorzaken voor de huidproblemen uit te sluiten. Om een voedingsallergie uit te sluiten kunnen we het dier gedurende zes weken dieetvoeding laten eten. Is er verbetering dan is een voedselallergie waarschijnlijk. Hiernaast kunnen we bij honden, net zoals bij mensen, een allergietest doen. We scheren dan een stukje huid kaal en spuiten hier een aantal stoffen in waarvan bekend is dat ze vaak problemen geven. Na een halfuur kunnen we de test aflezen. Op deze wijze zien we niet alleen of een dier allergisch is, maar ook waarvoor.

Behandeling

​Hebben we eenmaal vastgesteld dat uw dier allergisch is dan zijn er verschillende manieren om dit te behandelen. Met medicijnen is het goed mogelijk om de klachten de kop in te drukken. Het is echter niet zo dat dit tot blijvende genezing leidt. Uw dier zal dus levenslang af en toe medicijnen nodig hebben. Een tweede manier van behandelen is desensibiliseren. We moeten dan eerst weten welke stof(fen) precies de allergie veroorzaakt, dus doen we een allergietest. Vervolgens wordt de patiënt gedurende enkele maanden ingespoten met een toenemende dosis van de stof die de problemen veroorzaakt. Op deze wijze hopen we het lichaam aan de stof te laten wennen, waardoor na verloop van tijd de allergie afneemt. U heeft hierbij ongeveer 65% kans op succes. Een nadeel van deze methode is dat het vrij prijzig is. Slaagt deze methode, is het dier meestal voor lange tijd van het probleem verlost. Soms is het nodig om de behandeling op een later tijdstip te herhalen. 

In sommige gevallen treedt er bij een allergie spontaan herstel op. Heeft het dier een voedselallergie, is het zaak een soort voer te kiezen waarbij de klachten wegblijven. De simpelste oplossing is levenslang speciaal dieetvoer te geven.

Erfelijkheid

​Uit het feit dat bepaalde rassen duidelijk meer problemen hebben mogen we aannemen dat het in zekere mate erfelijk bepaald is. Inmiddels is ook gebleken dat sommige lijnen binnen een ras meer problemen hebben. Het is raadzaam terughoudend te zijn met fokken met allergische dieren.

Samenvatting​

Allergieën komen voor bij alle rassen, maar bij sommige rassen zien we duidelijk meer problemen. Huidklachten zijn een veel voorkomend probleem bij huisdieren. Allergieën zijn niet de belangrijkste reden hiervoor, maar geven wel langdurige klachten. Ieder dier dat verdacht wordt van een allergie dient goed onderzocht te worden om andere oorzaken uit te sluiten. Is eenmaal vastgesteld dat een dier allergisch is dan zijn er verschillende behandelingswijzen mogelijk. Wel moeten we ons realiseren dat het vaak levenslang een probleem voor het dier en zijn baasje blijft.

Hond & kind

Kinderen en honden zijn voor veel mensen een ideale combinatie. Een hond kan voor een kind een ideale speelkameraad zijn. Kinderen leren met honden om te gaan en met verantwoordelijkheid voor een dier te zorgen. De keerzijde is dat honden ook wel eens agressief kunnen reageren op kinderen.

De hond

​Honden zijn van nature vleesetende roofdieren die in groepsverband jagen. Dit is misschien wat moeilijk voor te stellen als u een harige bobtail of een bibberend schoothondje ziet, maar ook uw hond stamt af van een wild roofdier. Honden worden al sinds de steentijd door mensen voor allerlei doeleinden gebruikt. Hondenfokkers hebben door de eeuwen heen dieren geselecteerd op eigenschappen die zij wenselijk achtten. Een vechthond moet sterk, vasthoudend en agressief zijn. Een herder waaks en bereid om vreemden op afstand te houden. Terriërs moeten een sterk ontwikkeld jachtgedrag hebben enzovoorts. Tegenwoordig ligt dat anders, de meeste honden worden gehouden als huisdier en niet voor de jacht of het bewaken van een kudde. Hiermee zijn we al bij een oorzaak van ongewenste agressiviteit aangeland. De eigenschappen waar fokkers vroeger hun honden op selecteerden kunnen nu voor grote problemen zorgen. Een herder die fanatiek zijn terrein bewaakt doet waar hij lange tijd voor gefokt is, maar de postbode en buurtkinderen zijn er niet blij mee. Bij de keuze van een ras moet u hiermee rekening houden.

Keuzen van een hond

​Als u op zoek gaat naar een hond voor uw gezin is het verstandig om eerst voor u zelf op een rijtje te zetten wat voor soort hond u wilt en wat u van het dier verwacht. Moet het een grote hond zijn of heeft u liever een klein, makkelijk te vervoeren exemplaar? Ook het karakter van de hond is zeer belangrijk, een hond die 'alles met zich laat doen' is ideaal voor kinderen, maar zal weinig waaks zijn. Maak een lijstje van de eisen die u aan uw huisdier stelt en ga dan op zoek naar een hondenras die hier zoveel mogelijk aan voldoet. Nadere informatie kunt u altijd krijgen via hondenclubs, rasverenigingen, asiels en natuurlijk uw dierenarts. De ideale kinderhond, die onder alle omstandigheden bij kleine kinderen te vertrouwen is, bestaat niet. Iedere hond, zelfs de allerliefste, kan uitvallen als hij maar lang genoeg geplaagd wordt. Er is geen vast advies te geven wat voor soort hond nu het beste is voor een gezin. Het hangt van de omstandigheden af. In het algemeen is het zo dat vecht- en waak- en verdedigingshonden minder geschikt zijn bij kleine kinderen, maar er zijn uitzonderingen.

Opvoeding

​De opvoeding, of liever het gebrek hieraan, is een van de belangrijkste oorzaken voor problemen tussen mens en hond. Veel problemen zijn terug te voeren op dominantieproblemen. Simpel gezegd gaat het erom wie er de baas is, de hond of zijn eigenaar. Uiteraard moet het de laatste zijn, maar het gaat nog wel eens mis. Het is te herkennen aan kleine dingen. Een hond die bijvoorbeeld zijn baas aan de riem over straat sleurt heeft duidelijk het heft in handen. Hetzelfde geldt voor een hond die met grommen de baas bij zijn etensbak verjaagt, of niet toestaat dat iemand in 'zijn' stoel gaat zitten. Het is daarom van belang om vanaf het eerste moment te gaan werken aan de opvoeding van een hond. Gelukkig hoeft u dit niet alleen te doen. Overal worden gedrags- en gehoorzaamheidscursussen gegeven voor hondenbezitters. Deze cursussen zijn zowel voor de hond als voor de baas zeer nuttig, leuk en leerzaam. Adressen kunt u vinden in plaatselijke kranten, via asiels of bij uw dierenarts. Begin er vroeg mee, want een hond goed opvoeden is makkelijker dan later een slechte opvoeding corrigeren.

De oudere hond

​Soms is de hond er voordat er kinderen in een gezin komen. In deze gevallen moet u de hond leren de kinderen te accepteren. Dit is lastig, maar gelukkig niet onmogelijk. Let erop dat u bij de geboorte van een baby ook nog wat tijd reserveert voor de hond, zodat deze zich niet in de steek gelaten voelt. Laat hem de baby zien en besnuffelen, maar maak meteen duidelijk dat ook dat kleine hummeltje zijn baas is. Dit betekent dat hij niet mag grommen naar het kind, het kind zijn eten weg mag pakken enzovoorts. Let hier goed op, want we zien nog wel eens gevallen waarbij de hond goed naar pa luistert, matig naar ma en de kinderen bijt. Een enkele keer accepteert de hond het kind niet. In deze gevallen zijn er maar drie mogelijkheden. De eerste is hond en kind permanent gescheiden houden, de tweede een ander huis voor de hond zoeken en als laatste, als niets anders helpt, euthanasie. 

​Samenvatting

Kinderen en honden kunnen prima samen, maar het is verstandig om even stil te staan bij de keuze van een hond. Heeft u een hond aangeschaft begin dan meteen met zijn opvoeding, liefst door met het dier een cursus te volgen. Als laatste, kinderen kunnen zeer onverwachte dingen doen. Laat kinderen daarom nooit met honden alleen.​​

Terug naar Huisdieren